Dinsdag, 17:40, de Jumbo. Het snoeprek bij de kassa. Je zei nee, en nu ligt je dochter op de tegels te gillen alsof de zwaartekracht net is uitgevonden. Er kijkt iemand. Er kijken er meer. Je nek wordt warm en je denkt: wat doe ik fout? Als je hier leest, ken je dat moment, of de thuisversie bij de voordeur of in bad. Goed nieuws, echt: dit is geen opvoedfout. En wat je zegt als het losbarst, is te leren.
Een woedeaanval van je peuter voelt als een rapportcijfer voor jou. Zeker met publiek. Dat is het niet. Driftbuien horen bij de peutertijd zoals stof bij een verbouwing: overal, irritant, en het bewijs dat er gebouwd wordt.
Er bestaat zelfs een woord voor: peuterpuberteit. Je kind ontdekt dat hij een eigen wil heeft en oefent daar fanatiek mee. Elke dag. Ook in de bouwmarkt. De piek ligt tussen anderhalf en vier jaar; na de derde verjaardag wordt het bij de meeste kinderen vanzelf minder. Niet omdat jij het dan eindelijk goed doet, maar omdat er iets afgebouwd raakt in dat koppie.
Zie het brein van je peuter als een huis met twee verdiepingen.
Boosheid, angst, blijdschap, grote tranen. Deze verdieping was helemaal af op de dag dat je kind geboren werd. Hier hangt ook het alarmsysteem, en eerlijk? De geluidsinstallatie is uitstekend.
Nadenken, plannen, jezelf inhouden, eerst tot tien tellen. En nu het belangrijkste bouwkundige detail: die bovenverdieping is nog lang niet af, en de trap ertussen is besteld. Het deel van het brein dat remt en plant is pas rond je 25e helemaal klaar (Arain, 2013). Je peuter heeft dus een perfect werkend alarm en nog geen knop om het uit te zetten.
Een driftbui is een rookmelder die afgaat terwijl er niks aanbrandt. Beneden loeit het alarm, boven is er even niemand thuis. Jij denkt: hij doet dit expres. Of: ik doe iets fout. Allebei niet waar, en dat is meetbaar.
Het verklaart ook waarom uitleggen, waarschuwen en die goede preek midden in de bui niets doen. Je praat tegen de alarminstallatie. Er is nog nooit een rookmelder gestopt met piepen omdat iemand er kalm tegen zei dat er geen brand was. Alles wat via de bovenverdieping moet, komt pas aan als het alarm zakt. Niet schadelijk, wel zinloos, en het vreet jouw energie.
Het advies dat je overal hoort: negeren, dan leert ze dat gillen niets oplevert. Half waar. Het ware deel: discussie, uitleg en een publiek voor het onderhandelen komen toch niet aan, dus wat jij zegt mag weinig zijn. Het dure deel: negeren wordt al snel wegkijken of weglopen. En een peuter kan zichzelf nog niet kalmeren; ze leent die rust van jou. Wie alleen achterblijft met een loeiend alarm, leert niets over gillen. Die raakt alleen verder in paniek.
Dus: niet praten, wél blijven. In de buurt, rustig, en zonder toe te geven: het snoep blijft liggen. Het Nederlands Jeugdinstituut zegt het bijna woordelijk zo: blijf in de buurt en wacht tot de bui minder wordt. Het gevoel mag er zijn. De grens ook.
Zodra het ergste gegil een fractie zakt, benoem je wat je ziet. Kort en traag: "Jij baalt echt, hè." Of: "Jij wilde dat snoepje, hè." Hooguit vijf woorden. Geen oplossing, geen les. Je bent even geen opvoeder; je bent de ondertiteling bij haar gevoel.
Klinkt te simpel? Er kwamen hersenscanners aan te pas. Toen dertig volwassenen in een scanner boze en bange gezichten zagen, zakte de activiteit in de amygdala, het alarmcentrum, zodra ze er een woord op plakten (Lieberman, 2007). Dan Siegel en Tina Payne Bryson maakten er de slogan "name it to tame it" van: benoemen is kalmeren. En John Gottman volgde 56 gezinnen jarenlang: kinderen van ouders die het gevoel eerst erkennen en pas daarna sturen, worden beter in zichzelf kalmeren (Gottman, 1996).
Is dat niet gewoon toegeven? Nee. Het gevoel krijgt alle ruimte, de grens geen millimeter. En werkt het meteen? Soms komt er eerst nog een golf. Maar. Elke keer dat jij de woorden geeft die zij nog niet heeft, oefent haar brein iets wat ze later zelf kan.
Vijf woorden is stap één. Daarna komt het deel waar de meeste ouders het opgeven: de middag dat de bui níet zakt na het benoemen en de rij bij de kassa meekijkt. Of de avond dat jij zelf de storm bent. Want omgaan met driftbuien is meer dan één zin: je moet weten wannéér je hem zegt (te vroeg, en je praat weer tegen de rookmelder), hoe je de grens laat staan zonder dat de bui verdubbelt, en wat je doet als het over is. Daar ligt namelijk goud op de grond, en de meeste ouders lopen eroverheen.
Daarom staat de hele aanpak in een cursus van acht korte stappen, begeleid over twee weken, en niet in één artikel: de drie soorten buien (herkennen binnen vijf seconden), het ANKER-plan (vijf stappen van de eerste gil tot het goedmaken, waarvan de eerste twee niet eens over je kind gaan), de acht kant-en-klare zinnen voor supermarkt, bedtijd en autostoeltje, de vijf dempers die een flink deel van de buien voorkomen, de vier valkuilen die een bui juist erger maken, de herstelzin van acht woorden die je kind jarenlang meeneemt, en waarom één woordje van drie letters de helft van je zin uitgumt. Plus vier printbare kaarten voor koelkast, telefoon en oppas. Elke stap eindigt met één ding voor vanavond, en de volgende begint met: hoe ging het? Zo lees je het niet alleen, je kunt het straks ook echt.
Weten waar jullie precies moeten beginnen? Doe de gratis check van 2 minuten: direct je uitslag, met de fase en het onderwerp dat bij jullie speelt. Of ga meteen naar Driftbuien de Baas (2-4 jaar): één keer betalen, voor altijd toegang, en veertien dagen om te kijken of het bij jullie werkt.
Negeer de onderhandeling, niet je kind. Uitleg en straf komen tijdens de bui niet aan, dus zeg weinig. Maar blijf in de buurt: een peuter kan zichzelf nog niet kalmeren en leent die rust van jou. Zodra het gegil zakt, benoem je kort wat je ziet. De grens (het snoep, het filmpje) blijft gewoon staan.
Ja, dit is de piek. Tussen anderhalf en twee jaar heeft 87 procent van de kinderen driftbuien, tussen tweeënhalf en drie 91 procent, en tussen drieënhalf en vier zakt het naar 59 procent (Potegal & Davidson, 2003). Na de derde verjaardag wordt het bij de meeste kinderen langzaam minder, omdat de bovenverdieping van het brein verder gebouwd raakt. Elke dag een bui is wel de uitzondering: minder dan één op de tien.
Hetzelfde als thuis, alleen met publiek. Ga dichtbij en zeg weinig; het snoep blijft liggen. Zakt het gegil een fractie, benoem dan het gevoel: "Jij wilde dat snoepje zó graag." Het publiek bestaat voor de helft uit ouders die precies weten wat je doormaakt; de andere helft heeft een mening die geen cent waard is.
Nee. Het deel van het brein dat plant en zichzelf inhoudt (de bovenverdieping) is bij een peuter nog volop in aanbouw en pas rond je 25e klaar. Een driftbui is een rookmelder die afgaat terwijl er niks aanbrandt: het alarm loeit beneden, en boven is even niemand thuis. Geen plan, geen machtsspel. Wél leert je kind snel dat gillen werkt als de grens elke keer meebuigt.
Als ze na het vierde of vijfde jaar even heftig blijven, regelmatig langer dan 25 minuten duren of meer dan vijf keer per dag komen, als je kind zichzelf pijn doet of bijna altijd op jou of spullen afgaat, als de buien net zo hard komen bij vreemden als bij jou, of als je kind na afloop niet meer tot rust komt. Dan is de huisarts of het consultatiebureau een goede eerste stap. Ook als jij zelf op je tandvlees loopt.
Verder dan dit artikel
Driftbuien de Baas
Vanavond al minder strijd. Zeven modules, elke module eindigt met één ding dat je vanavond doet. Module 1 is gratis.
Ja, ik wil ditGeen abonnement · 30 dagen geld terug · levenslang van jou
Bronnen: Wakschlag L.S. e.a. (2012), Defining the developmental parameters of temper loss in early childhood, Journal of Child Psychology and Psychiatry 53(11), 1.490 kinderen van 3 tot 5 jaar; Potegal M. & Davidson R.J. (2003), Temper tantrums in young children: 1. Behavioral composition, Journal of Developmental & Behavioral Pediatrics 24(3); Lieberman M.D. e.a. (2007), Putting feelings into words: affect labeling disrupts amygdala activity, Psychological Science 18(5); Gottman J.M., Katz L.F. & Hooven C. (1996), Parental meta-emotion philosophy and the emotional life of families, Journal of Family Psychology 10(3); Belden A.C., Thomson N.R. & Luby J.L. (2008), Temper tantrums in healthy versus depressed and disruptive preschoolers, Journal of Pediatrics 152(1); Manning B.L. e.a. (2019), Relations between toddler expressive language and temper tantrums in a community sample, Journal of Applied Developmental Psychology 65; Arain M. e.a. (2013), Maturation of the adolescent brain, Neuropsychiatric Disease and Treatment 9; Siegel D.J. & Bryson T.P. (2011), The Whole-Brain Child; Nederlands Jeugdinstituut, Peuter: driftbuien, omgaan met heftige emoties. Geen van deze onderzoekers is aan Slim Opvoeden verbonden. Laatst bijgewerkt: 15 augustus 2026.
Dit artikel legt uit waarom het gebeurt. De cursus geeft je de volgorde: acht onderdelen van een kwartier, met per module één ding dat je vanavond anders doet.
Bekijk Driftbuien de Baas 30 dagen geld terug · eenmalig betalen · geen abonnement